Oorsprong

1. Oorsprong

Bij ‘getijdengebed’ denkt u misschien aan een rijk versierd boek van eeuwen geleden, of aan kloosters, mummelende monniken, metten en lauden. Misschien weet u niet dat het getijdengebed dagelijks over de hele wereld wordt gebeden door priesters, diakens, seminaristen en leken. Thuis, maar ook in kerken en kapellen. Wie daaraan deelneemt, beseft niet meteen dat hij zo een gebedstraditie voortzet die teruggaat tot de eeuwen voor Christus.

2. Joodse wortels

Sinds de babylonische ballingschap kwamen de joden waar zij ook waren in synagogen ’s morgens, ’s avonds en vaak ook ’s middags bijeen om op het uur van de offers in de tempel van Jeruzalem te bidden. Ook vernemen we van nachtwaken. In het hele land werd deelgenomen aan deze gebeden.

Uit teksten in het Nieuwe Testament blijkt dat het gebed een belangrijk bestanddeel was van het dagelijks leven in de eerste christengemeenten. Vanaf het begin waren zij die het doopsel ontvangen hadden, dan ook ‘trouw aan de leer der apostelen, aan het gemeenschappelijk leven, en ijverig in het breken van het brood en in het gebed,’ staat in Handelingen 2, 42. Die gebeden kwamen voort uit de joodse gebedscultuur.

3. Een nieuwe inhoud

Uit de eerste eeuw na Christus stamt het geschrift Didachè, het oudste bewaard gebleven document met voorschriften voor het kerkelijk leven. Daarin staat dat elke christen driemaal daags het Onze Vader moet bidden; hier wordt een joodse gebedsvorm gecombineerd met een nieuwe, christelijke inhoud. Clemens van Alexandrië sprak in de tweede eeuw van gebedsuren en een nachtelijk gebed. Tertullianus bracht de gebedstijden in verband met het goddelijk mysterie en de heilsgeschiedenis: driemaal bidden houdt verband met de Triniteit, het derde uur met het uitstorten van de Heilige Geest, en het zesde en negende uur met specifieke momenten uit het leven van Petrus. Bovendien voegt hij, in zijn geschrift De Oratione, twee gebeden toe, respectievelijk aan het begin van de dag en in de nacht. Hippolytus († 235) relateerde de gebeden aan het lijden, sterven en verrijzen van Christus.

Al sinds de vroegste tijden waren er gelovigen die zich terugtrokken in de eenzaamheid van de woestijn om daar als kluizenaars te leven. Geleidelijk aan sloten vele van deze monniken zich aaneen en ontstond een gemeenschappelijk gebedsleven. Na de legalisering van het christendom door Constantijn in de vierde eeuw vonden sommige christenen, gewend aan vervolgingen, dat het praktiseren van deze religie wel erg makkelijk werd. Zij kozen voor een sober bestaan in afzondering. Het monniksleven kende een enorme opbloei en werd wijd verspreid. Het gebed was een belangrijk onderdeel van zijn dagelijks leven. De monniken hadden alle gelegenheid alle gebedstijden in acht te nemen. Maar sinds de zesde eeuw gold deelname aan het getijdengebed, ook wel ‘officie’ genoemd, als een van de belangrijkste verplichtingen voor alle geestelijken.

4. Het brevier

In de volgende eeuwen werd het getijdengebed steeds verder ontwikkeld, herzien, uitgebreid en ingekort. Het Tweede Vaticaanse Concilie in de jaren zestig van de vorige eeuw gaf als aanbeveling dat het officie ook door leken zou worden gebeden, gemeenschappelijk of alleen (zie nr. 100 van de constitutie Sacrosanctum Concilium). In Nederland werd in 1990 het getijdenboek uitgegeven, een boek van ruim 1700 pagina’s met bijlage-boekjes, dat vooral door priesters dagelijks wordt gebruikt. Helaas is dat gebruik niet eenvoudig: tijdens één gebed moeten verschillende delen van het boek worden gebruikt, en zeker op bijzondere dagen kan dat de aandacht van het gebed afleiden. Mede daarom is deze digitale versie ontwikkeld: de diverse onderdelen van het gebed worden vanzelf achter elkaar gezet.